Deutsch   English   Français   Nederlands   Español   Polski

facebook-Button

JHWH in hebräischen Buchstaben
http://www.besucherzaehler-homepage.de/

4– Een te kort rustbed en
een te smal laken

te kort bedDe boeken van de Hebreeuwse profeten bevatten gedetailleerde rechterlijke oordelen van diverse natien uit de vroegere wereld, maar de profeten schreven Gods oordelen en raad vooral toe aan de enige fysieke natie op aarde die Jehovah God ooit zijn eigen volk heeft genoemd – Israël. Jehovah was hun Wetgever, Koning en Rechter. En hij heeft hen bij diverse gebeurtenissen geoordeeld.

In de vele jaren dat de Wachttoren Jehovah's Getuigen Gods Woord heeft onderwezen, is de overheersende tendens geweest dat we onszelf in het best mogelijke licht hebben geplaatst door alle profetieën die spreken over Jehovah's vernietigende terechtwijzingen toe te passen op de Christenheid en alle positieve aspecten van profetieën op onszelf. In het zeldzame geval dat we toegeven dat een bepaalde profetische afkeuring op ons als organisatie van toepassing is, verbinden we dit steevast aan de periode van 1916-1919. Door af te wijken en het nietig maken van Gods eigen Woord dat tot zijn geestelijke organisatie gericht is, hebben we onszelf tragisch genoeg blind gemaakt voor Jehovah's komende oordelen over zijn eigen volk.

Jehovah beschrijft onze huidige betreurenswaardige situatie in Jesaja 28:20:

"Want het rustbed is te kort gebleken om er zich op uit te strekken, en zelfs het geweven laken is te smal wanneer men zich erin wikkelt."

Omdat we geen leerstellige basis hebben om vooruit te kijken naar Jehovah's komende oordelen, is het alsof we trachten onze rust te nemen op een bank die net te kort is om onszelf uit te strekken, en alsof we ons proberen in te pakken met een laken dat te klein is om ons volledig te bedekken. Als gevolg hiervan hebben we er zelf voor gezorgd dat we Gods reprimande nog meer waardig zijn.

Wat Jehovah's Getuigen uit het oog hebben verloren, is het feit dat God zijn volk tuchtigt. De Hebreeuwse Christenen in Paulus' dagen vergaten evenzo hoe God zijn kinderen behandelt, en daarom achtte de apostel het nodig hen hieraan te herinneren: "maar gij hebt de vermaning die tot u als zonen wordt gericht, helemaal vergeten" Paulus schrijft verder aan hen, en ons:

"Mijn zoon, acht het strenge onderricht dat van Jehovah komt, niet gering en bezwijk niet wanneer gij door hem wordt gecorrigeerd; want die Jehovah liefheeft, wordt door hem streng onderricht, ja, hij geselt een ieder die hij als zoon aanneemt." (Hebreeën 12:5, 6)

Het Wachttorengenootschap zal bijvoorbeeld nooit de profetieën in het 28ste en 29ste hoofdstuk van Jesaja op Jehovah's Getuigen toepassen, en toch zijn er genoeg redenen om dit in alle nederigheid wel te doen. Beschouw eens de niet echt vleiende beschrijving van Efraïm in de eerste verzen van het 28ste hoofdstuk van Jesaja:

"Wee de eminente kroon van de dronkaards van Efraïm, en de verwelkende bloesem van zijn luisterrijke sieraad, dat rust op het hoofd van het vruchtbare dal van hen die door de wijn zijn overmand!"

Zoals gewoonlijk denken we ons in dat dit een beschrijving is van de Christenheid, maar is dat zo? Als de bovenstaande verzen van toepassing zijn op de afvallige sekten van de Christenheid, moeten we dan concluderen dat de Christenheid eens voor God stond als een prachtige decoratie van bloemen, welke nu verwelkt is en zijn schoonheid heeft verloren? Dat lijkt niet redelijk te zijn. Maar het geestelijke Israël had wel een glorieus begin in de 1ste eeuw, net als het letterlijke Israël toen ze in het mooie Beloofde Land kwamen. De vraag is echter wat de toestand van Jehovah's geestelijke natie zal zijn wanneer God zijn inspectie zal doen aan het einde van het Christelijke tijdperk? Wel, het lijkt erop dat Jesaja dat beschrijft.

verwelkende bloesemsIn veel opzichten past de beschrijving van een eens mooie "verwelkende bloesem van zijn luisterrijke sieraad" bij het Wachttoren­genootschap. Wij, die eens zonder vrees Jehovah's komende oordelen over Satans wereld aankondigden, moeten nu omgaan met de beschamende realiteit dat het samenstel niet plotseling is geëindigd zoals we dat uitdroegen. Tot onze schaamte wordt het moedige standpunt dat Jehovah's Getuigen een halve eeuw geleden innamen tegen de Nazi-overheersing nu overschaduwd door de ongepaste NGO-verbintenis van de Wachttoren met de Verenigde Naties.

Wij, die de Christenheid berispt hebben voor hun afnemende aantallen, moeten toegeven dat veel kerken een herstel meemaken. In plaats dat Babylons religieuze wateren opdrogen, zijn wij het juist die te maken hebben met een laag bezoekersaantal op vergaderingen en een publiek dat niet meer reageert op onze niet-meer-zo-urgente koninkrijksboodschap. Terwijl Jehovah's Getuigen zich vroeger verkneukelden over de afvallige conditie van de Christenheid, moeten we in recente jaren toegeven dat ons eigen huis niet op orde is. Nog niet zo lang geleden pochte we erover dat scheiding niet voorkwam onder Jehovah's Getuigen, en nu is de trieste waarheid dat een groot percentage van onze huwelijken stranden.

We noemen onszelf zelfs zeer onbescheiden "Jehovah's reine volk," ondanks het welbekende feit dat er elk jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen terechtgewezen worden als zijnde immorele overspelers, terwijl ontelbare anderen een dubbelleven leiden. Terwijl we vroeger onze afkeuring uitspraken over de Katholieke Kerk voor het overplaatsen van pedofiele priesters van parochie naar parochie, moet de Wachttoren nu omgaan met de pr-nachtmerrie van beschuldigingen door veel voormalige leden voor het onder het tapijt schuiven van kindermisbruik in de gemeenten. Geen wonder dat God zichzelf als volgt uitlaat tegen de niet-nederige leiders van zijn geestelijke natie:

"Daarom, hoort het woord van Jehovah, gij snoevers, gij heersers van dit volk dat in Jeruzalem is." (Jesaja 28:14)

dronkaard glimlachtJehovah's afbeelding van zijn eigen volk als geestelijke dronkaards is nauwkeurig. En het feit dat we geestelijk dronken zijn, weerhoudt ons ervan Gods oordelen op onszelf te begrijpen. Dat komt omdat een beschonken persoon niet erg goed kan denken. Veelal weet een beschonken persoon niet hoe dronken hij eigenlijk is, ondanks dat het voor buitenstaanders wel duidelijk is. Op een zelfde manier is het voor ons niet mogelijk onze geestelijke conditie in Jehovah's ogen nuchter te overdenken. Vanuit Gods standpunt bezien is zijn volk onbekwaam doordat we denken dat we Gods Woord begrijpen, terwijl dit in werkelijkheid niet zo is. De Wachttoren is bedwelmd met de macht van God zodat we zijn oordelen op iedereen, behalve onszelf, van toepassing brengen. Daarom zegt God:

"Talmt en weest verbaasd; verblindt u en weest verblind. Zij zijn bedwelmd geraakt, maar niet van wijn; zij hebben zich onvast voortbewogen, maar niet vanwege bedwelmende drank." (Jesaja 29:9)

Omdat we gewend zijn geraakt aan het idee dat de Christenheid de geestelijke dronkaard uit de profetie is, zullen Jehovah's Getuigen zich opwinden over de suggestie dat wij het feitelijk zijn die door God blinde, geestelijke dronkaards worden genoemd. Maar redeneren over de volgende vraag die Jehovah stelt, zou ons moeten helpen de zaken uit Gods perspectief te bezien: "Hoort, gij doven; en kijkt toe om te zien, gij blinden. Wie is blind, zo niet mijn knecht, en wie is doof als mijn bode die ik zend? Wie is blind als de beloonde, of blind als de knecht van Jehovah?" (Jesaja 42:18, 19)

Degenen naar wie Jehovah verwijst als zijn knechten en degenen die door hem worden beloond, zijn degenen die God beschrijft als doof en blind. Als we daarom beweren een organisatie te zijn die Jehovah dient, en als we in het verleden gezegend en beloond zijn door hem, dan zijn wij het die worden beschreven als doof en blind. Ja, de context van het 42ste hoofdstuk van Jesaja heeft te maken met Jehovah die zijn volk terugkoopt, degenen die hij zijn getuigen noemt, vanuit de beklagenswaardige positie die over ons komt door het op handen zijnde onheil. Het feit dat we doof, blind en bedweld zijn, weerhoudt ons ervan dat we de nabije toekomst niet kunnen onderscheiden, een toekomst waarvan we beweren dat we er volkomen bekend mee zijn.

Nu zijn we wellicht in een betere positie geraakt om te kunnen onderscheiden waar Jehovah naar verwijst in het 28ste hoofdstuk, waar hij zegt:

"Op die dag zal Jehovah der legerscharen worden als een sierkroon en als een luisterrijke krans voor degenen die overblijven van zijn volk, en als een geest der gerechtigheid voor degene die ten gericht gezeten is, en als kracht voor hen die de strijd afwenden van de poort." (Jesaja 28:5, 6)

Voor wie zal Jehovah een sierkroon en luisterrijke krans worden? Hij noemt hen "degenen die overblijven van zijn volk." Maar, hoe kan dat? Als Efraïm de Christenheid vertegenwoordigt, wie zijn dan het overblijfsel van zijn volk die nadien door Jehovah worden verhoogd? Degenen die in de profetie worden beschreven als "degenen die overblijven van zijn volk," zijn degenen aan wie Jehovah redding verschaft wanneer hij zijn geestelijke natie oordeelt. De verwelkende bloem van Efraïm die vertreden wordt, die doorgeslikt wordt als een rijpe vijg, kan enkel het hedendaagse Wachttorengenootschap zijn. (Zie het essay getiteld: Was 1914 het Einde van de Tijden der Heidenen?)

In onze aankondiging van dit oordeel tegen de Christenheid, hebben we onbewust onszelf veroordeeld. Geen wonder dat God het volgende zegt over de getrouwen:

"En ook dezen – vanwege wijn hebben zij gedwaald en vanwege bedwelmende drank hebben zij gedoold. Priester en profeet – zij hebben gedwaald vanwege bedwelmende drank, zij zijn verward geworden ten gevolge van de wijn, zij hebben gedoold ten gevolge van de bedwelmende drank; zij hebben gedwaald in hun zien, zij hebben gewaggeld met betrekking tot de beslissing. Want de tafels zelf zijn allemaal vol vies uitbraaksel geworden – er is geen plaats die schoon is." (Jesaja 28:7, 8)

dronkaards dwalenDe profeten en priesters "hebben gedwaald" doordat ze de betekenis van de in de Bijbel opgetekende profetieën niet nauwkeurig begrijpen. Onze eigen getrouwe slaaf heeft, zonder het te weten, borden met weerzinwekkend braaksel op Jehovah's geestelijke tafel gezet, terwijl ze erover pochen dat ze Gods volk niets anders dan het fijnste geestelijke voedsel voorzetten.

Ter bewijs dat dit zo is, beschouw eens de bekende profetie in het 3de hoofdstuk van Zefanja waar de profeet voorzegt dat God zijn "volken tot een zuivere taal zal doen overgaan." De Wachttoren heeft ons geleerd dat we nu een zuivere taal spreken van geestelijke waarheid. Merk de context van Zefanja echter eens op, waar staat wanneer God zo'n verandering naar een zuivere taal zal doorvoeren. Zefanja 3:8 zegt:

"'Daarom, blijft mij verwachten,' is de uitspraak van Jehovah, 'tot de dag dat ik opsta tot de buit, want mijn rechterlijke beslissing is, natiën te vergaderen, dat ik koninkrijken bijeenbreng, ten einde mijn openlijke veroordeling erover uit te storten, heel mijn brandende toorn; want door het vuur van mijn ijver zal heel de aarde verslonden worden.'"

Het volgende vers zegt:

"Want dan zal ik volken tot een zuivere taal doen overgaan."

Wanneer is "dan"? De verandering doet zich voor wanneer Jehovah zijn veroordeling uitstort. Hoe kunnen we dan nu claimen een verheven, zuivere taal van onvervalste waarheid te spreken, terwijl de profetie duidelijk zegt dat de verandering pas zal zijn in de tijd van het uitgieten van Gods veroordeling?

Dat is slechts één voorbeeld van onze bedwelming, hoe onze priesterlijke leraren en onze profeten de betekenis van de profetieën niet begrijpen; hoe onze leiders verward zijn geraakt en braaksel hebben opgediend onder de noemer van heilzaam geestelijk voedsel. Net als Jesaja, waar Jehovah de leiders van zijn volk "snoevers" noemt, onthult ook de profetie van Zefanja dat een deel van het probleem dat Jehovah binnenkort moet oplossen, is dat sommigen van degenen in verantwoordelijke posities klaarblijkelijk dronken van macht en arrogantie zijn. Daarom zegt Jehovah in het 11de vers: "want dan zal ik uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen verwijderen; en gij zult nooit weer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg."

Einde van deel één, wordt vervolgd in het essay getiteld: We Hebben een Verbond Gesloten met de Dood.

Essay van eWatchman © 2002
Nederlandse vertaling: Ezra Swols

Pfeil nach oben


Download

PDF-Symbol zum Downloaden des Textes "Een te kort rustbed en een te smal laken" (162 KB)